Blog

okt 09

De opmars van biobrandstoffen uit afval- en reststromen in Nederland

door Eric van den Heuvel

Het Nederlandse beleid stuurt op de inzet van biobrandstoffen die gemaakt worden van afval- en reststromen. De jaarlijkse rapportages van de Nederlandse emissieautoriteit (NEa) (zie https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/rapportages-en-cijfers-ev/totaalrapportages) laten zien dat deze beleidssturing resultaat oplevert. In 2011, het eerste jaar waarover de (NEa) rapporteerde, lag het aandeel biobrandstoffen op basis van afval- en reststromen op 25% van het totaal. Reeds in 2016 was tweederde van de ingezette biobrandstoffen gemaakt van dergelijke stromen, en dan met name van gebruikte frituurolie en dierlijke vetten.

Onderstaande grafiek laat zien hoe elk jaar het aandeel toenam en het is te verwachten dat deze ontwikkeling de komende jaren zal doorzetten.

Grafiek 1

Door deze ontwikkeling treedt er meer CO2-emissiebesparing op. Het hogere aandeel ‘waste-based’ biobrandstoffen zorgt er namelijk voor dat per eenheid energie van de brandstof minder CO2 wordt uitgestoten in vergelijking met de fossiele brandstof die vervangen wordt. De NEa-cijfers laten zien dat in 2016 die gemiddelde CO2-uitstoot ruim 76% lager lag. Kijken we bijvoorbeeld naar de praktijkemissie van de zuinigste diesel-personenauto van dit moment (zoals aangegeven in https://www.anwb.nl/auto/besparen/top-10-zuinige-autos/klein-diesel) dan zou de CO2-uitstoot van deze auto van 129 gCO2/km dalen naar 30 gCO2/km als deze auto volledig op hernieuwbare brandstof zou rijden.

Grafiek 2

Aanvankelijk, in 2011, was nog tweederde van de biodiesel van landbouwgewassen gemaakt (voornamelijk van raapzaadolie). In de afgelopen jaren is dit beeld, door beleidssturing, volledig omgedraaid. In 2016 kwam nog slechts 0,4% van de biobrandstoffen voor dieselvervanging uit landbouwgewassen (‘crop-based’ biobrandstoffen). Zie grafiek 3 Ontwikkeling van de inzet van biobrandstoffen 2011- 2016. 2016 was het eerste jaar waarin geen biobrandstof uit palm- en sojaolie meer op de Nederlandse transportmarkt werd gebruikt. Het nieuwe biobrandstoffenbeleid geeft nadrukkelijk meer ruimte voor de verdere ontwikkeling en inzet van geavanceerde biobrandstoffen uit grondstoffen met hoge CO2-reductie en vermijding van ongewenste effecten.

Grafiek 3

De ontwikkeling van de inzet van biobrandstoffen 2011- 2016 laat zien dat de momenteel ingezette biobrandstoffen, die bijgemengd worden in diesel, steeds meer gemaakt zijn van afval- en reststromen. Voor benzine komen de bijgemengde biobrandstoffen (voornamelijk ethanol) in grote mate uit gewas-gebaseerde grondstoffen. Met name mais en graan zijn de belangrijkste grondstoffen. Deze grondstoffen komen uit Europa. Waardoor er minder kans bestaat op ongewenste effecten als landgebruikverandering. Bovendien ontstaan bij de productie van ethanol eiwitrijke bijproducten, geschikt voor bijvoorbeeld diervoer, wat bijdraagt aan het vermijden van import van bijvoorbeeld soja.

Ook de ethanolsector verkent de commerciële ontwikkeling van reststromen, voor waste-based biobrandstoffen. Een interessante reststroom is ‘lignocellulose’ –houtige –biomassa voor de omzet naar ethanol. Deze omzet opent de mogelijkheden om in aanvulling op de huidige grondstoffen, ook houtige reststromen in te gaan zetten voor de productie van ethanol. Een aantal fabrieken op basis van deze conversieroute is al operationeel, andere bedrijven staan op de drempel. Deze ontwikkeling vraagt echter langdurige beleidszekerheid (bijv. in de nieuwe Hernieuwbare energie Richtlijn tot 2030) om investeerders aan te kunnen trekken). Informatie over de stand van zaken is te vinden in de recente rapportage van de Sub Group Advanced Biofuels (zie http://platformduurzamebiobrandstoffen.nl/portfolio-item/rapport-sub-group-advanced-biofuels_final-report/) en in de presentaties van de recent gehouden, door de Europese Commissie georganiseerde, 6th International Conference Lignocellulosic Ethanol, zie http://bit.ly/2kyBg5J)

Uit de grafiek valt ook op te maken dat in de periode 2011 tot en met 2016 de totale hoeveelheid ingezette hernieuwbare energie uit biobrandstoffen redelijk stabiel is gebleven. Het fysieke volume groeit nauwelijks. In 2011 kwam 3,4% van de totale hoeveelheid energie die in de Nederlandse wegtransportsector werd verbruikt uit hernieuwbare brandstoffen. In 2016 was dat maar licht geroeid naar 4.1% (op te maken uit de NEa-rapportages). Het effect hiervan is dat de totale CO2-emissiereductie weliswaar groeit, maar dit is het gevolg van de betere CO2-prestatie van de ingezette biobrandstoffen in Nederland. Niet van een groter ingezet volume.

Tegelijkertijd rapporteert de NEa dat jaarlijks het aandeel hernieuwbare energie in vervoer is gegroeid: naar 7% in 2016 . Dit hogere percentage is het effect van de administratieve dubbeltelling van biobrandstoffen uit afval- en reststromen. Bedrijven moeten aantonen, conform de verplichting in de Wet Milieubeheer en in het Besluit Hernieuwbare Energie in Vervoer, dat de bijgemengde hernieuwbare energie (en die bestaat nagenoeg uitsluitend uit duurzame biobrandstoffen – het aandeel hernieuwbare elektriciteit is vooralsnog verwaarloosbaar klein) voldoet aan de Europese duurzaamheidscriteria. Vervolgens mag de energiewaarde van biobrandstoffen gemaakt uit afval- en reststromen administratief dubbeltellen. En omdat het aandeel van deze brandstoffen groeiende is (zie de eerste grafiek) kan aan de hogere verplichting worden voldaan, bij ongeveer gelijkblijvende volumes.

Om de CO2-uitstoot in de transportsector verder naar beneden te brengen, en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verlagen, is een groter fysiek aandeel nodig van hernieuwbare energie in vervoer. De beleidsplannen van de overheid stellen voor om, bij instandhouding van de dubbeltellingssystematiek, het aandeel hernieuwbaar in 2020 te laten toenemen naar 16,4%. In 2016 is 17 PJ biobrandstoffen ingezet wat ongeveer overeen kwam met een fysiek volume van 640 miljoen liter biobrandstoffen. Dat houdt dus een meer dan verdubbeling in van het fysieke volume in slechts enkele jaren tijd. De inzet van duurzame biobrandstoffen is hierin onontbeerlijk.

De volgende vragen liggen voor: welke duurzame grondstoffen zullen daarvoor in de Nederlandse context gebruikt moeten worden, wat zijn de verdere mogelijkheden voor groengas dat nu nog beperkt wordt ingezet, hoe innovatieve conversietechnologieën te ontwikkelen wat toegang geeft tot de inzet van meer soorten grondstoffenstromen, wat kan de koppeling met de biobased-economy opleveren, hoe kan sturing op CO2-reductie de ontwikkeling versnellen, wat is nodig om de inzet in het wegtransport verder te vergroten, hoe kunnen duurzame biobrandstoffen in nieuwe transportmarkten, zoals de scheepvaart- en luchtvaartsector voet aan de grond krijgen, welk fiscaal system moet opgetuigd worden om low-carbon brandstoffen voorkeur te geven boven high-carbon fossiele opties? Het Platform Duurzame Biobrandstoffen zoekt samen met andere organisaties en stakeholders naar antwoorden op deze vragen en hoopt daarmee de ingezette ontwikkelingen in de brandstoffenmarkt een verdere impuls te geven richting duurzaam en low-carbon mobiliteit.