Nieuws / Opinie

mrt 27

Reactie op doorrekening Ontwerp-Klimaatakkoord door PBL

Op 13 maart 2019 bracht het Planbureau voor de Leefomgeving, PBL, de langverwachte doorrekening van het Ontwerp KlimaatAkkoord (OKA) naar buiten. De doorrekening bevestigt dat linksom of rechtsom een groot volume aan hernieuwbare brandstoffen (groene elektriciteit, groene waterstof en hernieuwbare brandstoffen) nodig is om de Nederlandse klimaatdoelen in transport te kunnen halen.

Het Platform Duurzame Biobrandstoffen trekt de volgende conclusies voor het thema Mobiliteit:

  • De beoogde reductiedoelen worden waarschijnlijk niet gehaald. Dit concludeert PBL zowel voor de gehele klimaatopgave als voor de mobiliteitssector.
  • De inzet van hernieuwbare brandstoffen (moleculen) is noodzakelijk, naast de focus op inzet van elektriciteit (elektronen).
  • Nadrukkelijke omschakeling van fossiele naar hernieuwbare energiedragers gewenst voor snellere CO2-reductie in transport

Kabinetsreactie

In reactie op de plannen van de mobiliteitstafel wil het kabinet een aanpak op automobiliteit met meer oog voor de huidige marktontwikkeling. Het Platform vindt het noodzakelijk om de marktontwikkeling de goede richting in te krijgen door te monitoren op het doel van 33% CO2-reductie in 2030. En wijst op de mogelijkheid van een verplichting op nieuwe elektrische auto’s in 2030 om het behalen van de klimaatopgave voor mobiliteit te waarborgen. Het is verder noodzakelijk om te sturen op reductie fossiel in de energiedragers/brandstoffen voor deze sector.

De doorrekening van PBL laat zien dat de gezamenlijke strategie van de vier platforms voor innovatieve energiedragers (FET, Waterstof, bio-LNG en Platform Duurzame Biobrandstoffen) onverminderd relevant is. Deze werd zomer 2018 ingebracht bij, maar niet overgenomen door, de Mobiliteitstafel.

Om de CO2-emissies in transport voldoende terug te dringen en het pad in te slaan om ‘Parijs’ te bereiken in 2050, komt dat volgens de gezamenlijke strategie neer op een aandeel van ten minste één derde hernieuwbare energie in 2030 in het totale volume van energie voor transport. Afhankelijk van een aanzienlijke reductie van de energievraag in transport betekent dit concreet ca. 150 PJ aan hernieuwbare energie in 2030.[1] Stijgt de energievraag in transport dan zal het volume aan hernieuwbare energie overeenkomstig hoger moeten zijn. De focus moet komen te liggen op snelle overstap van fossiel naar hernieuwbaar voor de ‘elektronen’ én ‘moleculen’ die nodig zijn in transport.

Vragen aan PBL

De Mobiliteitstafel kreeg de opgave om 7,3 miljoen ton CO2-reductie (tank-to-wheel) te realiseren. PBL verwacht dat met de voorgestelde maatregelen tussen 5,1 en 6,9 miljoen ton CO2-reductie wordt bereikt.[2] PBL beschrijft dat afhankelijk van het ingezette volume er met hernieuwbare brandstoffen tussen de 1 tot 2,1 Mton emissiereductie te behalen valt.

  1. Het Platform vindt het opmerkelijk dat de doorrekening uitgaat van een variabele inzet van hernieuwbare brandstoffen.[3] Gezien de urgentie van de opgave lijkt het vanzelfsprekend om een zo hoog mogelijke inzet van hernieuwbare brandstoffen na te streven.  Onze vraag is: wat is de achtergrond bij de keuze voor een bandbreedte?
  2. Het Platform meent dat de onzekerheidsmarge eenvoudig te verminderen valt met een verplichting op inzet hernieuwbare brandstoffen op de te behalen CO2-reductie die nodig is. Deze inzet is mede afhankelijk hoe andere opties in staat zijn de doelen te behalen. Dat is een principe van ‘communicerende vaten’.
  3. De bovengrens van 2.1 Mton aan inzet hernieuwbare brandstoffen is politiek bepaald. De inzet aan hernieuwbare brandstoffen is gemaximeerd op max. 27 PJ. De sector heeft aangegeven dat dit meer kan zijn en moet zijn om de klimaatdoelen te kunnen halen. Er zal meer groene waterstof, duurzame biobrandstoffen en brandstoffen op basis van hernieuwbare elektriciteit en waterstof (Power-to-x) in het systeem nodig zijn.
  4. Ook ziet het Platform graag een nadere toelichting op het PBL-oordeel dat “de inzet van biobrandstoffen relatief hoge kosten heeft per vermeden ton CO2”. De vraag is: wat is de vergelijking. Met het uitblijven van een CO2-beprijzing van fossiele grondstoffen is en blijft fossiel op dit moment de goedkope optie. Inzet van biobrandstoffen is een kosteneffectieve optie als vervanger van fossiel.
  5. Alleen voor biobrandstoffen benoemt PBL de zogenaamde Well-t0-Wheel CO2-reductie, de uitstoot van fossiele CO2over de hele productieketen van deze brandstoffen. PBL gaat over de hele biobrandstoffenketen uit van een WtW-emissie reductie tussen 80/90%, en benoemt alleen voor deze optie dat er dan nog in de productieketen sprake is van een extra CO2-uitstoot van 0,1 tot 0,4 Mton (p.81). Dat geldt natuurlijk ook voor de andere alternatieve brandstoffen waar gebruik gemaakt wordt van fossiele energie, zoals in de Nederlandse elektriciteitsmix of bij productie van niet-hernieuwbare waterstof. Met meten vanaf de tank, wordt de CO2-uitstoot in het productie-deel van de keten niet meegeteld, maar die uitstoot vindt wel degelijk elders plaats.

Achtergrond

PBL: ‘De beoogde doelen worden waarschijnlijk niet gehaald’

Op 13 maart 2019 bracht het Planbureau voor de Leefomgeving, PBL, de langverwachte doorrekening van het Ontwerp KlimaatAkkoord (OKA) naar buiten. Het kabinet heeft zich ten doel gesteld de Nederlandse broeikasgasemissies in 2030 met 49% te verminderen in opzichte van 1990. Vijf sectorale tafels kregen de opdracht om met maatregelen te komen die, met wat al in de Nationale Energieverkenning 2017 (NEV2017) aan reducties werd verwacht, dit doel moesten bereiken. De voorgestelde maatregelen van de vijf tafels moeten in totaal 48,7 miljoen ton extra CO2 -reductie opbrengen.

De analyse van het PBL laat zien dat de voorgestelde maatregelen kunnen leiden tot een emissiereductie tussen de 31 en 52 miljoen ton CO2. De opgave van 48,7 miljoen ton CO2-reductie valt binnen deze bandbreedte. De PBL-doorrekening geeft echter aan dat de onzekerheidsmarge groot is. Onderstaande figuur geeft een indicatie van verwachte effecten, inclusief een onzekerheids-bandbreedte.

Plannen van de Mobiliteitstafel

De Mobiliteitstafel kreeg de opgave om 7,3 miljoen ton CO2-reductie te realiseren. PBL verwacht dat met de voorgestelde maatregelen tussen 5,1 en 6,9 miljoen ton CO2-reductie wordt bereikt.[4]

Voor mobiliteit rekent de NEV2017 met de verwachting dat de CO2-emissies in 2030 op ca. 32 miljoen ton CO2 uitkomen, maar deze kunnen mogelijk ook lager of hoger uitkomen. In de afgelopen jaren nemen de CO2-emissies in transport voortdurend toe. Deze toename kan betekenen dat de reductieopgave voor mobiliteit mogelijk hoger zou moeten liggen dan de opgave die de Mobiliteitstafel heeft meegekregen voor 2030.


[1] Dit is bij een vermindering van het totale verbruik tot maximaal 450 PJ aan energie in transport in 2030.

[2] PBL geeft aan dat wanneer rekening wordt gehouden met gedragsonzekerheid de bandbreedte groter wordt en het effect dan tussen 4,2 en 8,0 Mton varieert.

[3] PBL schrijft in de doorrekening: “Afhankelijk van de mate van inzet kan 1 tot 2,1 Mton emissiereductie worden behaald met extra inzet van hernieuwbare brandstoffen.” Ze varieert daarbij de inzet tussen 13,5 en 27 PJ.

[4] PBL geeft aan dat wanneer rekening wordt gehouden met gedragsonzekerheid de bandbreedte groter wordt en het effect dan tussen 4,2 en 8,0 Mton varieert.